21 jan - 12:00 Haaksbergen - aangepast om 11:52

Column Caro Woudstra

Vliegticket of luier?

Persoonlijk heb ik geen last van vliegschaamte. Voor de mensen die mij kennen klinkt dat misschien paradoxaal, omdat ik in het dagelijks leven uiterst bewust met mijn ecologische voetafdruk omga. Ik heb geleerd dat een product vaak wel tien keer hergebruikt kan worden voordat het echt bij het afval belandt. Weggooien doe ik zelden en mijn kledingkast is grotendeels gevuld met tweedehands schenkingen. In Zuid-Amerika en verschillende Afrikaanse landen heb ik met eigen ogen gezien waar onze overconsumptie toe leidt: hele stranden liggen bezaaid met de kledingstukken die wij zo hoopvol in de kledingbak hebben gegooid.

Toch blijft mijn geweten schoon wanneer ik een vliegticket boek. De reden? Ik heb geen auto, eet vrijwel geen vlees en, de meest cruciale factor: ik heb geen kinderen. Althans, geen eigengemaakte exemplaren.

Wetenschappers hebben berekend dat een gemiddeld westers kind verantwoordelijk is voor een uitstoot van ongeveer 58 ton CO2 per jaar. Dat getal is voor velen abstract, maar laat het eens bezinken: het staat gelijk aan 36 trans-atlantische retourvluchten per jaar!! Terwijl de maatschappij ouders prijst voor hun biologische bijdrage aan de toekomst, wordt de reiziger met een koffer vaak weggezet als milieuvervuiler.

Ik vind dat ik daarom best een paar keer per jaar mag vliegen. Zelfs met die vlieguren onder mijn riem blijft mijn ecologische voetafdruk aanzienlijk kleiner dan die van iemand met slechts één kind.

Onlangs was ik in Suriname en had ik een boeiend gesprek met een taxichauffeur. We reden over de Jules Wijdenboschbrug, het indrukwekkende bouwwerk van Ballast Nedam. Terwijl hij vertelde over de steekpenningen die destijds waren betaald om de opdracht binnen te halen, vatte ik het verhaal samen: ‘Het mag wel ruiken, maar niet stinken.’ De chauffeur lachte zo hard dat de auto bijna op de verkeerde weghelft belandde.

‘Ik weet precies hoe dat werkt,’ grapte ik, ‘want ik ben al in zoveel landen geweest.’ Toen hij hoorde dat ik meer dan vijftig landen had bezocht, was hij oprecht onder de indruk. Waar ik toch enige gêne voelde over mijn privileges, zag hij het anders: ‘Er zijn maar weinig mensen die de lokale economie wereldwijd zo stimuleren als jij.’ Misschien een beetje makkelijk gedacht maar hij had een punt. Met die gedachte verloor ik ook dat laatste restje vliegschaamte.

Caro